Vorige Inhoudsopgave Volgende
 

2.6 Bebouwing

Over bebouwing valt veel te zeggen en dit is niet de plek daar al te lang over uit te weiden, maar ik kan er in dit verhaal niet omheen. In Zutphen zijn er de laatste tien jaar veel nieuwe woningen bijgekomen en er is een nieuw bedrijventerrein aangelegd namelijk De Revelhorst. In Nederland en ook in Zutphen wordt geprobeerd om veel woningen op een klein oppervlak te bouwen. Open terreinen zoals de sportvelden bij Helbergen krijgen een woonbestemming en ook het voormalige jeugdgevangenisterrein wordt binnenkort volgebouwd. De nieuwbouw van 3000 woningen bij de Hoven krijgt veel verweer vanuit de Zutphense bevolking die niet wil dat daar zoveel woningen komen. Ondanks de weerstand gaat er op alle drie de locaties gebouwd worden.

De reden van het dicht opeen bouwen is om zo het buitengebied te sparen. Dit is het hele idee achter het concept “vinexwijken”. Dat klinkt allemaal heel logisch. De algemene gedachte daarachter was onder andere om de natuur “in het buitengebied” te behouden. Maar rijke natuur in het agrarisch gebied is verleden tijd. Alleen de openheid en het landschap is daar deels gespaard gebleven; de natuurwaarden zeker niet. Rijke natuur is nog wel te vinden in delen van de uiterwaarden, landgoederen, natuurgebieden en bossen. In het agrarisch gebied is dit helemaal passé, vroeger wel; anno 2009 niet meer. Daarin heeft ergens eind vorige eeuw - begin deze eeuw een omslag plaatsgevonden. Als gevolg van de dramatische afname van soorten en aantallen in de landbouwgebieden, maar ook door de steeds rijkere natuur in steden, zijn de rollen omgedraaid. Zowel in biodiversiteit als in biomassa is er op een vierkante kilometer stedelijk Zutphen momenteel een veel rijkere natuur te vinden dan in bijvoorbeeld de agrarische gebieden voorbij Warnsveld, richting Baak of aan de overkant van de IJssel.

In hoeverre moet je dan nog proberen het “open gebied” te vrijwaren van woningbouw? Er zijn redenen genoeg op dit moment om dat streven op te geven, om dus grote delen van het agrarisch gebied maar gewoon vol te gaan bouwen. Wat valt daar immers nog te verliezen? Door het inbreien van woonwijken in het stedelijk gebied verliezen we ook veel “openheid”. De manier waarop tegenwoordig het boerenland “gebruikt” wordt is discutabel. In Nederland wordt bijvoorbeeld jaarlijks een oppervlakte van 200.000 hectare ingezaaid met maïs en er zijn maar weinig teelten in de landbouw te bedenken met dezelfde destructiviteit voor natuur als mais (bloembollen zijn nog erger.......) en het gaat om 2000 vierkante kilometer! Dit is een groter oppervlak dan de hele Provincie Utrecht van 1420 vierkante kilometer en ook meer dan bijvoorbeeld de hele Achterhoek en Liemers bij elkaar. Die maïs wordt grotendeels gebruikt om vlees te produceren.
Kort door de bocht zijn we dus druk bezig huizen heel dicht opeen te zetten, de laatste stukjes groen in het stedelijk gebied vol te bouwen en alle natuurwaarde in het agrarisch gebied te slopen, om zo de rundergehakt betaalbaar te houden! Daarnaast leeft nog steeds het idee dat met dicht opeen bouwen de leefomgeving gespaard blijft. Dat is niet het geval want de achteruitgang van soorten en individuen in het agrarisch gebied blijft zich al vele decennia lang, ongewijzigd dramatisch voortzetten. De soortenrijkdom op een perceel van 10 hectare mais is lager dan 10 hectare woestijn; er zit gewoon niets meer! Voor een beter milieu en het behoud van natuur zou het niet slecht uitpakken wanneer een groot deel van de 2000 vierkante kilometer mais zouden worden volgebouwd. Het is helaas niet anders. Rundergehakt zou dan wel een paar dubbeltjes duurder worden.

2.6.1 Woonwijken

In het stedelijk gebied staan gebouwen in allerlei vormen, maten en hoogtes in een scala van biotopen. In een ver verleden werd bij de bouw van huizen alle aandacht gevestigd op de functie van wonen en werk. Later in de ontwikkeling van de mensheid kwamen daar steeds meer zaken bij als de grootte en materiaal van het gebouw om zo uitdrukking te geven aan de status van macht en geld zoals kerken, landhuizen en kastelen. Meer recent kwamen er weer andere zaken om de hoek kijken zoals een meer “bewuste” vormgeving, naar de mode van die tijd zoals flatgebouwen en het gebruik van “moderne” materialen zoals beton. De laatste decennia is de huizenbouw vooral in handen geweest van de financiële wereld. Snel bouwen, veel huizen op een klein oppervlak en gebruik maken van goedkoop, niet duurzaam materiaal is langdurig de trend geweest en nog steeds eigenlijk. Groei van de bevolking en opgeklopt ruimtegebrek zorgden voor hoge huizenprijzen en dat was de natuurlijke reden voor de financiële wereld zich daar zo intensief mee te bemoeien. Sinds de milieuproblematiek tot in alle gelederen van de samenleving is doorgedrongen begint nu ook de overheid zich meer en meer te bemoeien met hoe huizen gebouwd worden. Met de bouwlocaties houdt de Nederlandse overheid zich al heel lang en intensief bezig.

Het bouwen van zogenaamde ecowoningen is een relatief nieuw fenomeen. In Nederland was de Kleine Aarde in Boxtel misschien de eerste organisatie die zich daar intensief mee bezig hield en dat principe ook probeerde uit te dragen in de samenleving. Helaas ontbrak het draagvlak toentertijd, maar nu een halve eeuw later is dat draagvlak er eindelijk en sinds kort bestaat daarvoor zelfs een keurmerk van de overheid. 

In het hele ecobouwen wordt vooral naar milieu gekeken en veel minder naar natuur. Natuur en Milieu zijn nauw verbonden met elkaar, de onderlinge samenhang groot en nu er opnieuw naar wonen en bouwen gekeken wordt, zou het meenemen van natuur zinvol kunnen zijn. Bij de bouw van woonwijken zou rekening gehouden moeten worden met het feit dat ook in het stedelijk milieu dieren ergens moeten verblijven. Vogels moeten ergens kunnen broeden, ze moeten eten en ze moeten overnachten. Dat geldt ook voor zoogdieren, insecten en amfibieën. Plantsoenen en stadswateren kunnen daarin een belangrijke functie vervullen, maar ook de aanwezigheid van voldoende tuinen is van groot belang. Stadstuinen kunnen soms heel stabiele natuurlijke milieu’s voortbrengen op een klein oppervlak. Alle tuintjes samen zorgen voor een grote variatie aan structuur alhoewel de soortenrijkdom meestal niet erg groot is. Hoe groter de tuinen zijn, hoe gevarieerder de natuur in zo’n wijk. De gebruiksmogelijkheden van een kleine tuin zijn erg beperkt, in grotere tuinen is al snel meer mogelijk wat betreft aanplant, onderhoud en vegetatie. Grote bomen in tuinen zie je maar weinig wanneer de tuinen te klein zijn. Bij de bouw van nieuwe huizen is het voor de natuurwaarden en leefbaarheid van belang om bij zoveel mogelijk huizen een flinke tuin te plannen. Veel tuintjes in de moderne nieuwbouw zijn te krap. Wanneer je de tuin wilt beschutten voor de buitenwereld en je hebt een kleine tuin zit er niets anders op dan een houten schutting te kopen. Ondertussen staan er al duizenden kilometers houten schuttingen in Nederland.

Hierdoor ontstaat een heel vreemde situatie. De eigenaar van de kleine tuin moet flink werken om geld te verdienen om een schutting te kopen voor zijn te kleine tuin. Die schutting is van hout. Ergens op de wereld wordt dat hout gekweekt, gekapt, gezaagd, geïmpregneerd, verkocht en na iedere bewerking vervoerd naar de volgende bewerkingslocatie, om na een lange reis als schutting in de te kleine tuin te belanden. Wanneer het stukje grond waar dat hout gekweekt is, aan het kleine tuintje zou zijn toegevoegd, dan was dat tuintje groot genoeg geweest om een haag in plaats van een schutting om de tuin heen te zetten. En dan is hier nog niet eens de grond meegerekend die nodig is om de biodiesel te produceren om al die vrachtwagens te laten rijden die almaar dat hout aan het verslepen zijn. Dan kostte dat geen oerwoud, dan hoefde geen hout vervoerd en geïmpregneerd te worden en dan konden er vogels in zijn haag broeden en niet te vergeten, vogels in het oerwoud waar nu de bomen voor schuttingen “gekweekt” worden. Nu hoor ik meteen denken, “maar die ruimte is er niet in Nederland” en dan zeg ik dat die ruimte er wel is.  Zolang er nog 200.000 ha maïs staat in Nederland waarvan het grootste deel voor de productie van vleesexport is bestemd, is er blijkbaar nog ruimte genoeg. Vogelaarswijken zijn voor een deel te voorkomen door wanneer het om wonen gaat, meer buitenruimte per persoon in te ruimen dan nu. Goed voor het milieu (minder maïs en minder geïmpregneerde schuttingen), goed voor de leefbaarheid en goed voor de natuur. Nu ben je bijna verplicht een hardhouten schutting te kopen want voor een haag is geen ruimte. Je bent verplicht je groen- en tuinafval door een vrachtwagen te laten ophalen want in de achtertuin is geen ruimte voor een composthoop, een takkenhoop, een vijver of een fruitboom, geen ruimte voor een konijnenhok of een groentetuintje. Je moet bijna wel de auto pakken wanneer je in het groen wilt recreëren, want de tuin is te klein en al het groen in de stad wordt langzaam maar zeker weggebreid. Je bent naar de buren toe bijna verplicht om de boom in je achtertuin om te zagen, want de tuintjes zijn dermate klein dat de schaduw van één boom de tuinen tot en met drie huizen verderop uit de zon houdt. Zo ziet een tuin in een moderne wijken er tegenwoordig uit. Ook veel van de reeds gebouwde en geplande nieuwbouw in Zutphen. Het is dus zeer de vraag of je met het dicht opeen bouwen van huizen nu wel werkelijk zoveel ruimte bespaard. 

Natuur is niet iets wat alleen in reservaten thuishoort, natuur is geen luxe-artikel maar een pure noodzaak en daarom verdient natuur overal een plek. Ook in de stad Zutphen. Met reservaten alleen valt de natuur echt niet te redden al is dat wel heel vaak de algemene gedachte. Ook de stadsplantsoenen, solitaire bomen, de modderkruiper in de sloot, de egel op straat, de eksters in de achtertuin, de teunisbloem onder de lantaarnpaal en ook de slakken op de schutting die de algen daarvan wegvreten zijn van belang.
 
 
 
 
 
 
 


 
 

2.6.2 Bedrijventerreinen

http://www.vwg-zutphen.nl/google/mars.kmz
Wanneer je een doorsnee bedrijventerrein gaat bekijken met het uitgangspunt dat natuur overal van belang is, zie je daar op bedrijventerreinen weinig tot niets van. Er is daar gewoon geen aandacht besteed aan de natuur. Binnen het plangebied liggen een paar bedrijventerreinen waarvan De Mars de grootste is. Het oppervlak tussen de IJssel, Twentekanaal en het spoor bedraagt bijna 300 ha. De omvang en ligging bieden goed kansen voor natuurwaarden hoe grauw het er soms ook uit kan zien. In het gebied zijn een aantal opvallende natuurwaarden aanwezig. De ligging langs het water van het Twentekanaal en de IJssel is daarbij van belang om twee redenen. Op de eerste plaats profiteren watervogels daar direct van en op de tweede plaats werkt het water de rust in het gebied in de hand. Je kan er namelijk niet overheen waardoor de randen relatief rustig blijven. Er is geen doorgaand verkeer naar het westen en niet naar het noorden. Helemaal op de noordwesthoek ligt een oude vuilnisbelt. Tot voor enkele jaren terug was dit een vrij ruig terrein. Door de rust en doordat het terrein niet gemaaid werd, was de hele belt dicht begroeid. Door al het plastic in de bult zakt het regenwater slecht weg waardoor veel riet op de hellingen groeit.


De hoogste mast is de overwinteringslocatie voor de slechtvalk

Om zo maar eens wat soorten te noemen die op De Mars voorkomen; het is de enige plek in heel de gemeente waar al jaren achter elkaar nachtegalen broeden en één van de weinigen plekken ook voor zomertortels. Putters zijn jaarrond algemeen en foerageren veel op de niet gemaaide distels. Op de gebouwen broeden zwarte roodstaarten. In herfst en winter slapen duizenden meeuwen verspreid door het gebied op de platte daken. In de uiterwaarden broeden ijsvogels, oeverzwaluwen, brandganzen en grauwe ganzen. De slechtvalk zit al jaren achtereen in de winter op de hoge masten en het eerste broedgeval zal niet al te lang op zich laten wachten. De enige visdievenkolonie in een straal van vele tientallen kilometers rond Zutphen was te vinden op één van de platte daken. De grootste populatie konijnen in de wijde omtrek is te vinden op De Mars. Andere zoogdieren die daar voorkomen zijn in ieder geval egels, hazen, bunzing, vos en heel veel bruine ratten. Een goede inventarisatie van het gebied zou verrassende planten- en diersoorten aan het licht kunnen brengen. Ondanks dat in die 300 ha geen enkele zorg is besteed  om de natuur te voorzien van goede omstandigheden, is er toch een opvallende rijkdom aan soorten aanwezig is. Een duwtje in de rug zou ongetwijfeld meer verrassende resultaten op kunnen leveren.

Op De Mars zijn verschillend bedrijven met een dakoppervlak groter dan een hectare. Gemiddeld valt daarop jaarlijks 800 mm neerslag, dat is 8000 kubieke meter per ha/per jaar. Deze hoeveelheid is evenveel als wat 172 mensen gemiddeld aan water gebruiken voor huishoudelijk gebruik. Binnen het hele groenbeleidsplangebied bestaat 231 hectare uit daken en daarop valt dus genoeg regenwater voor het huishoudelijk gebruik van 321 x 172 = 39.732 inwoners. Maar dat terzijde.

De grote hoeveelheden regenwater van de grote daken wordt zo snel mogelijk afgevoerd. De sinds kort aangelegde gescheiden waterafvoersystemen op De Mars is al een grote stap in de goede richting. Afvalwater en neerslag worden nu gescheiden afgevoerd. Vanuit milieuoogpunt is het van belang dat het water ook zoveel mogelijk ter plekke gebruikt wordt. Water moet ook vastgehouden worden om de grondwaterspiegel op peil te houden en daar is op De Mars ook ruimte voor. Tussen verschillende bedrijven in, zouden regenwaterreservoirs kunnen komen waarin het dakwater wordt verzameld en waar het langzaam weg zou kunnen zakken in de grond. Graaf daarvoor een flinke kuil of greppel waar het water alleen weg kan wanneer de bak dreigt over te stromen. Verzamel daar het water en doe verder niets met die bak water. Laat de natuur die in zo’n waterreservoir opkomt helemaal met rust. Het geeft niet wanneer daar een elzen- of wilgenbos ontstaat. Behalve het af en toe verwijderen van zwerfvuil of illegale stort, kunnen deze plekken mooi uitgroeien tot kleine ongestoorde natuurterreintjes die dan weer heel nat, dan weer heel droog zijn. Daarmee hou je de grondwaterspiegel beter op peil en creëer je verspreid door De Mars verschillende soorten natuurterreinen. Vanwege de veelheid aan variabelen, het oppervlak, diepte, steilheid van de oevers, grootte, de hoeveelheid water, de ligging, bodemgesteldheid etcetera., zal iedere wateropvang heel eigen karakteristieken ontwikkelen.

Voorbeeld: Links op de foto een greppel aan de noordkant van de Grote Belt op De Mars:
http://www.vwg-zutphen.nl/google/wateropvang.kmz
Bij het ruim verbreden en uitdiepen van deze greppel kan hier een oppervlak wateropvang gecreëerd worden van 10 bij 175 meter. Daarin kan ongeveer 1750 kubieke water wat daarna langzaam kan wegzakken in de bodem. De daken links en rechts hebben een gezamenlijk dakoppervlak van 3,2 ha. Hierop valt door het jaar heen 3,2 x 8000 kubieke meter = ruim 25.000 kubieke meter water. Een heel groot deel van dat water zou via deze greppel in de bodem kunnen zakken. Pas wanneer er overtollig water is wat hier niet meer in past, is het vroeg genoeg om dat af te voeren, maar misschien is het ook wel te gebruiken voor andere industriële doeleinden op De Mars zelf. Dit terrein hoeft verder niet gemaaid, geklepeld, gezaagd of ingeplant te worden. Afval verwijderen is voldoende.

      
Voorbeeld: Links op de foto een gebouw op de hoek Hermesweg - Grote Belt. Waar deze foto is genomen, kijk je tegen een opvallend grote metalen wand aan van ongeveer 35 meter hoog en 85 meter breed. Het is de achterkant van Bührmann Ubbens. Het is een winderige plek waar je niets te zoeken hebt en waar niet veel gebeurt. Nu het buiten flink vriest kan ik me voorstellen dat daar de verwarming hoger moet, en wanneer in de zomer de late middagzon op die 3000 m2 staat te schijnen, levert dat weer veel warmte op. Aan de binnenkant van de metalen wand zal daarom vermoedelijk wel isolatiemateriaal zijn aangebracht maar de buitenkant is kaal. Stel dat de wand begroeid zou raken met klimop en wilde wingerd en dat die wand niet helemaal recht zou zijn, maar vanaf een meter of tien hoog, hellend naar boven. Wanneer je vervolgens het dakwater langs de helling naar beneden zou laten lopen, levert dat een kwart hectare muurvegetatie op die water vasthoudt en fijnstof kan opvangen, waar vogels kunnen broeden, slapen en foerageren en waar zwerfvuil zich niet kan ophopen. De vegetatie zou ook bufferend werken in de zomer en in de winter op het klimaat binnen én op het klimaat buiten. Het zou de wind remmen en een heel mooi aanzien geven aan deze wand. Nu is het niets meer dan een troosteloze grauwe bende en het wordt nooit wat.  Hoe lang blijft zo’n gebouw staan? 30 jaar lang niks terwijl het wat had kunnen zijn wanneer het uitgangspunt niet alleen was geweest, snel, simpel, effectief en goedkoop, maar wanneer ook rekening gehouden zou zijn met natuur, milieu en leefbaarheid. En zijn nog honderd van die wanden op De Mars. Misschien is het wat om mee te nemen in een nieuw groenbeleidsplan. Wat te doen met grote daken en grote metalen of stenen muren. Welke maatregelen zijn waar op welke plek op welk bedrijventerrein het beste voor de leefbaarheid, de natuur, voor het milieu en voor het aanzicht.

Op een groot gebied als De Mars is veel mogelijk

  • Braakliggende, tijdelijk niet gebruikte bedrijfsterreinen en terreinen die gebruikt worden voor wateropvang, zouden in sommige gevallen de status “gemeentelijk natuurgebied” moeten krijgen.
  • Er moet rekening gehouden worden met kolonievogels op daken. In 2008 is de visdievenkolonie verjaagd door dakwerkzaamheden in het broedseizoen
  • Er moeten meer daken geschikt worden voor kolonievogels
  • Er zijn te veel belemmeringen voor kleine dieren door stoepranden en straatputten
  • Vanwege de aangebrachte bouwgrond van verschillende herkomst kan bij goed beheer een rijke flora ontstaan tussen de gebouwen en in bermen
  • Zorg voor voldoende ruigtes waar steenmarters, vossen en bunzingen een permanent geschikt leefgebied hebben. Alle drie zijn het goede rattenvangers
  • Het waterbeheer moet anders. Regenwater moet meer opgevangen worden in bekkens en het huidige beheer van sloten en greppels (maaien en schrapen) is funest voor bijna alles. De waterkwaliteit in het gebied zelf is grotendeels erg slecht
  • Hoewel er ruimte genoeg is voor uitgebreide bomenaanplant en voor roekenkolonies komt dat daar niet voor
  • Met de neerslag die op daken valt is veel meer te doen dan alleen maar zo snel mogelijk afvoeren
  • Fijnstof is een probleem in gebieden als De Mars. Deze situatie is te verbeteren door de aanleg van vegetatiedaken en vegetatiewanden en door meer struweel- en bosvegetaties te laten ontwikkelen. Vegetatie op en tegen gebouwen werkt ook isolerend in zomer en winter en dat kan veel energie besparen
  • Er is ruimte voor oeverzwaluwkolonies, die ruimte wordt niet benut
  • Er is ruimte voor schrale dijkvegetaties op de IJsseldijk en die mogelijkheden worden niet benut
  • Er is veel ruimte voor zonnepanelen maar ik zie ze nergens

2.6.3 Straatputten en stoepranden

Wanneer het voorjaar wordt en kikkers en padden ontwaken uit de winterslaap vertrekken ze naar de voortplantingspoelen. Op weg daarheen worden ze vaak massaal doodgereden wanneer ze autowegen moeten  oversteken. Tientallen van deze locaties worden in Nederland door vrijwilligers beveiligd door overzetacties voor amfibieën te organiseren. In de bermen worden daarvoor met verschillende soorten materialen barrières geplaatst waardoor amfibieën niet meer de weg op kunnen. De beestjes lopen langs het scherm en belanden uiteindelijk in een in de grond ingegraven emmer. Dagelijks worden de emmers aan de andere kant van de weg geleegd en op die manier worden tienduizenden amfibieën per jaar gered.
Bij onderzoek aan loopkevers wordt veel gebruik gemaakt van loopvallen waarbij een blik, trechter of yoghurtbeker tot de rand in de grond wordt ingegraven met daarin conserveringsvloeistof. In Duitsland werd het gebruik van vangpotten officieel verboden omdat een loopkeverprofessor overtuigd was van de negatieve effecten op de populaties. Dit zijn beide mooie voorbeeld hoe dat in zijn werk gaat wanneer er barrières zijn en putten om in te vallen.

Een probleem dat niet vaak onderkend wordt, is de aanwezigheid van tientallen kilometers stoepranden met straatputten in bijvoorbeeld Zutphen. Een stoeprand van tien centimeter hoog is voor kleine dieren die op de grond leven een barrière. Wanneer loopkevers, muizen, kikkers en padden van een stoeprand afgaan en op het asfalt terecht komen is er veelal geen weg meer terug. Wanneer ze oversteken is daar weer een stoeprand en de dieren zijn gevangen op een groot asfaltplateau omzoomd door te hoge wanden. Met het zoeken naar dekking of naar een opstap gaan ze langs de stoeprand lopen. Als ze geluk hebben komen ze een inrit tegen zodat ze weer de stoep op kunnen om daarna weer verder te kunnen wandelen, maar meestal komen ze bij een straatput. Daar gaan ze naar binnen en vallen naar beneden in het riool. De meeste amfibieën zijn slechte klimmers en komen daar dus nooit meer uit en er is niemand die het ziet. Het gevolg is dat op plaatsen met veel stoepranden en weinig inritten er jaarrond heel veel dieren in terecht komen en daar zinloos omkomen.

Een optie om dit probleem op te lossen is om geen straatputten in stoepranden te verwerken maar om de straatputten in de straat te leggen; het type straatput wat je ook in winkelstraten veel tegenkomt. Een andere optie is om te zorgen dat dieren die langs de stoeprand blijven lopen, een ontsnappingsmogelijkheid krijgen door middel van oprit-stoepranden.
     

Hoge Balver in de Revelhorst met in blauw de 650 meter lange stoeprand

Stoeprand met een van de vele straatputten als  onoverkomelijke barrière voor kleine dieren aan de westkant van de Hoge Balver.
     
Voorbeeldlocatie. In de Revelhorst ligt een straat met de naam Hoge Balver (zie foto). Aan de noordkant stroomt de Vierakkersche Laak en aan de westkant ligt een sloot. Tussen de Hoge Balver en de sloot en de Laak ligt over de gehele lengte van 650 meter een stoeprand van ongeveer tien centimeter hoog met om de zoveel meter een straatput. Alle kikkers en padden die zich verder dan 20 meter afstand van de sloot richting Revelhorst verplaatsen zullen nooit meer terug kunnen. Kikkers en Padden zijn voor het grootste deel van hun leven landdieren. Vooral in het vroege voorjaar zoeken ze het water op om zich voort te planten. Daarna gaan ze het land weer op, gevolgd door de duizenden één centimeter grootte jonge padden en kikkers die later dat jaar in het water zijn opgegroeid. Wanneer ze richting Revelhorst lopen zullen ze een plekje zoeken om de rest van de zomer en herfst door te brengen en om daar te overwinteren. In zo’n biotoop is dat helemaal niet makkelijk geef ik toe, maar wanneer ze de winter overleven en ze teruggaan naar hun geboortepoeltje beland 99,9% of meer van deze amfibieën onvermijdelijk in de straatput. “Maar er zitten daar amper goede voortplantingslocaties van kikkers en padden” hoor ik u denken. Dat klopt, want al die beesten verdwijnen in de put! Het zou de moeite lonen om in Zutphen de probleemgebieden eens in kaart te brengen en per locatie te bekijken wat de beste optie is om ook de kleine dieren in Zutphen de kans te geven zich te kunnen verplaatsen. Momenteel leiden stoepranden en straatputten tot een permanente en massale sterfte bij kleine dieren.


Twee opties om deels te voorkomen kleine dieren die op straat terecht komen onvermijdelijk in de put zullen sterven zijn andere straatputten (links) of het creëren van een opstap-mogelijkheid aan beide kanten van de put (rechts).
 

 
Vorige Inhoudsopgave Volgende