Jaarvogel, vrij schaarse broedvogel, doortrekker en wintergast in vrij klein aantal.

Een volwassen mannetje van de knobbelzwaan weegt rond de tien tot twaalf kilo, vrouwtjes een paar kilo minder. De lengte van het lichaam is rond de 1,5 meter, de spanwijdte is rond de 2,3 meter. Kenmerkend is de oranjerode snavel van de volwassen vogels, met op het voorhoofd een zwarte knobbel. In de broedtijd is de snavelknobbel van het mannetje groter dan die van het vrouwtje. Voordat ze van het water kunnen opvliegen moeten de zwanen eerst vleugelklappend een aanloop over het water nemen. Vliegende knobbelzwanen produceren een voor die soort kenmerkend zoevend geluid. Knobbelzwanen kiezen een partner voor het leven. Uit ringonderzoek blijkt dat ze tot eenentwintig jaar oud kunnen worden.

Onze knobbelzwanen zijn waarschijnlijk standvogels, in het najaar en winter duiken steeds weer vogels op rond de voormalige broedplaatsen. De huidige populatie is waarschijnlijk opgebouwd uit zowel van origine tamme vogels, de zogenaamde Poolse vogels, en uit wilde vogels. De Poolse vogels werden gehouden voor het witte dons van met name de jonge vogels.

Broedende vogels kunnen dicht benaderd worden en gedragen zich niet schuw. In het buitengebied, waar zwanen zwaar te lijden hebben onder vervolging, zijn ze veelal wel schuw en alert.

Nesten worden gebouwd van plantaardig materiaal dat al liggend op het nest wordt opgebracht. Tijdens het broeden wordt het nest nog geregeld verder opgehoogd. Nesten zijn aangetroffen in de oevervegetatie maar ook op schouwpaden of zomaar tegen de oever aangebouwd op een ondiepte in een plasje.

Gemiddeld legt de knobbelzwaan vijf tot zeven eieren. Deze eieren zijn crèmewit van kleur met een groene waas. Naarmate de vogel langer gebroed heeft worden de eieren grauwer van kleur. De eieren worden ongeveer 28 tot 35 dagen bebroed, veelal door het vrouwtje. Het mannetje is meestal in de buurt en alert. Soms zijn de mannetjes echter in geen velden of wegen te bekennen. Misschien foerageren ze elders, maar niet uitgesloten moet worden dat ze zichzelf op diverse plekken nabij het broedgebied laten zien om zo een voedselgebied te claimen dat vrij blijft van concurrentie van soortgenoten en mogelijk ook van andere planteneters als grauwe ganzen.

Uitgekomen jongen zijn lichtgrijs of wit van kleur. De donkere jongen worden later ook gewoon wit. Binnen een nest kunnen zowel witte als jongen met een grijs verenkleed voorkomen De jonge vogels die bij de geboorte al een wit verenkleed hebben stammen af van de Poolse knobbelzwanenpopulatie. Knobbelzwanen die jongen hebben blijven veelal in de buurt van het nest, kleinere broedplaatsen als kleine vijvertjes worden veelal lopend verlaten. Jonge zwanen moeten dan soms noodzakelijkerwijs wegen en fietspaden benutten om bij andere waterpartijen te komen. Het is bekend dat jongensterfte geregeld voorkomt. Een half jaar na het uitkomen van de eieren kan tweederde deel van de jongen al dood zijn. In de eerste winter, als de jonge vogels nog onervaren zijn, neemt de sterfte verder toe. Tot in de nazomer blijven deze broedvogels hangen in de buurt van de nestplek.

4 Poolse en 4 grauwe jongen, resp. op 10 mei en 31 juli 2006 (Zutphen, Schouwlaak)

Witte- en grauwe jonge Knobbelzwanen; een lesje in erfelijkheid

Er bestaan twee 'kleurfasen' van de Knobbelzwaan. De verschillen zijn het duidelijkst bij de jongen. De zogenoemde 'Poolse' of 'witte' zwanen hebben lichte, wittige jongen. De andere zijn bruin-grijs. De Poolse zwanen, zowel jonge als volwassene, hebben lichte, vleeskleurige poten, lichte oogleden en een lichte huid op de onderkant van de snavel. De snavel van de jongen is ook lichter, maar de snavels van de volwassen vogels zijn gelijk gekleurd.

In Nederland komen de Poolse zwanen veel voor. Dat heeft te maken met het tamme verleden van de Nederlandse zwanen. Het dons van de jongen was vroeger geld waard, maar dat gold alleen voor het witte dons van de 'Polen'. Daarom fokten boeren en andere liefhebbers juist deze witte variant. De huidige zwanen zijn vrijwel allemaal afstammelingen van gefokte zwanen, en dus veelal wit.
In Denemarken leeft een echt wilde populatie. Daarin overheersen de donkere zwanen, en vormen de 'Polen' een uitzondering. De naam 'Pools' is overigens nogal misleidend, want ook in Polen zijn ze in de minderheid.

Een paar uit de Roskildefjord kan als voorbeeld dienen om te laten zien hoe Poolse kuikens kunnen voorkomen. Beide volwassen vogels zijn gewone grauwe jongen geweest. Ze hadden jongen in ieder jaar van 1972 tot 1976. Die vingen we ieder jaar, waardoor ze gemerkt zijn en we hun geslacht weten. Het resultaat ziet er zo uit: In 1972 hadden ze 3 grauwe jongen (2 wijfjes, 1 mannetje); In 1973 1 grauw jong (mannetje) en 1 wit (wijfje); In 19744 grauwe jongen (3 mannetjes, 1 wijfje); In 1975 3 grauwe jongen (2 mannetjes, 1 wijfje) en 2 witte wijfjes; In 1976 tenslotte, 2 grauwe jongen (mannetje) en 1 wit (wijfje).

Dus in die vijf jaren kregen ze 17 jongen vliegvlug, namelijk 9 mannetjes (allemaal grauw) en 8 wijfjes waarvan de helft Pools was. Dit overwicht van wijfjes bij de Poolse zwanen prikkelde enkele Amerikaanse onderzoekers tot een nadere studie. Onder de in vrij veel Poolse voor. Bij nader onderzoek bleek dat 10% van alle mannetjes en 28% van alle wijfjes Pools waren. De onderzoekers bestudeerden de erfelijkheid nader, en publiceerden in 1968 een artikel waarin ze aantoonden dat de Poolse eigenschappen gebonden zijn aan een zogeheten geslachtsgebonden, recessief (terugwijkend) gen.

Zowel vogels als zoogdieren hebben zogeheten geslachtschromosomen. Hun cellen bevatten een aantal chromosomen die bij beide geslachten gelijk zijn, met uitzondering van de geslachtschromosomen. Daarbij heeft het ene geslacht een paar gelijke chromosomen, die gewoonlijk XX genoemd worden, terwijl de andere sekse een X-chromosoom en een daarvan afwijkend Y-chromosoom heeft. Bij mensen en andere zoogdieren zijn het de mannetjes die de XY-chromosomen hebben, en de wijfjes die de XX-chromosomen hebben. Bij vogels is dat echter andersom. Daar hebben de mannetjes de XXen de wijfjes de XY-chromosomen. Bij de vorming van ei- en zaadcellen in de geslachtsorganen worden de chromosomenparen gescheiden, zodat ei en zaadcellen maar de helft van het aantal chromosomen bevatten. Dat wit zeggen dat de zaadcellen van het mannetje altijd een X-chromosoom bevatten, terwijl de eicellen van het wijfje een X- of een Y-chromosoom hebben. De Poolse kenmerken zijn echter gebonden aan het X-chromosoom. Dat betekent dat er twee soorten X-chromosomen bestaan: een met een gen (erfelijke aanleg) voor de grauwe kleur van de jongen, en een met een gen voor wit gekleurde jongen.

Als een paring plaats heeft, en een X en een Y smelten samen, dan zal daar een wijfje uit groeien, en als het X -chromosoom een Pools gen bevat, dan krijgen we een Pools wijfje. Als daarentegen twee X-chromosomen versmelten, dan krijgen we een mannetje. Het merkwaardige is nu dat het in dat geval niet genoeg is als maar een X-chromosoom de Poolse eigenschappen draagt. Om een Pools mannetje te krijgen moeten beide X-chromosomen Pools zijn, omdat de Poolse kenmerken wijken ('recessief' zijn) voor de grauwe kenmerken. Dit verklaart dus waarom er voor wijfjes een veel grotere kans is dat ze Pools worden dan voor mannetjes.

De combinatie die het meest voorkomt is die van een paar van twee grauwe zwanen, maar waarvan er één een verborgen Pools gen draagt. Aangezien dat gen gebonden is aan het X-chromosoom, kan alleen het mannetje dat verborgen gen dragen.

Het resultaat van zo'n kruising zal zijn dat alle jonge mannetjes en de helft van de jonge wijfjes grauw zijn. Alleen de andere helft van de wijfjes zal Pools zijn. Dat stemt dus aardig overeen met het voorbeeld uit de Roskildefjord, als we tenminste het totale resultaat van vijf jaar bekijken. Dergelijke cijfers zijn natuurlijk gemiddelden, en het is gemakkelijk genoeg uitzonderingen te vinden, want het toeval bepaalt welke ei- en zaadcellen samen komen.

Kijken we naar het percentage Poolse Knobbelzwanen dat in verschillende gebieden van Europa voorkomt, dan is het opmerkelijk hoeveel variatie daarin voorkomt. Door het intensieve onderzoek in verschillende streken van Denemarken en Zweden, weten we daar veer van. In Zweden, op Seeland en Jutland (behalve Zuid-Jutland) zijn maar 1 a 2% 'witte' zwanen. In Denemarken neemt dat percentage toe, en onder de vogels die ruien bij Rodsand, ten zuiden van Lolland loopt dat op tot ± 4%. In Stryno is dat 5 of 6%. In beide gevallen betreft dat vogels die voornamelijk uit Noord-Duitsland komen.

Uit andere landen vernemen we veel hogere percentages. In het zuiden van de DDR en in Zwitserland is het 15-20%. Maar in Engeland zijn de Poolse zwanen nauwelijks bekend, en ook in Oost-Europa blijken ze een zeldzaamheid te zijn.

Opvallend is ook dat het aantal Poolse zwanen de laatste honderd jaar is toegenomen. Dat kan te danken zijn aan het feit dat op veer plaatsen mensen tamme zwanen zijn gaan houden, en bij voorkeur de 'witte' zwanen kozen, omdat deze beter verkocht konden worden als siervogels, en om het dons. Daardoor werden de Poolse zwanen bevoordeeld. We zagen al dat het in Nederland zeker zo gegaan is.

Op andere plekken hadden grauwe zwanen de voorkeur, zoals in Engeland. Daar werden de zwanen verkocht als jachtwild (zonder eerst geplukt te worden), en witte jongen kwamen daarbij niet in aanmerking, omdat geloofd werd dat daar een soort volwassen zwanen uit groeide met taai vlees. Dat leidde tot een voorkeur voor de grauwe jongen.

Het is moeilijk uit te maken hoe het onder puur natuurlijke omstandigheden zou gaan. Maar we mogen ervan uitgaan dat het voor een zwaan geen bijzonder voordeel heeft 'Pools' te zijn. De witte jongen lijken veel op de volwassen vogels, en we kennen voorbeelden van oudervogels die agressief deden tegenover hun eigen Poolse jongen. In een enkel geval leidde dat er zelfs toe dat het jong verdronk. Bovendien zijn de witte jongen slechter gecamoufleerd. Het is niet duidelijk waarom Poolse jongen gemiddeld minder wegen. Het verschil is vooral bij wijfjes opvallend, en het is duidelijk dat dat een ernstige handicap zal zijn in een strenge winter. Dat verklaart mogelijk waarom Poolse zwanen weinig succes hebben in gebieden met een relatief streng winters klimaat (Denemarken, Zweden, Polen).

Uit: Ruitenbeek W. & Andersen-Harild P. 1979. De Knobbelzwaan. Kosmos, Amsterdam